Van Nelson naar Robe
Na de laatste restjes wortel en de laatste banaan aan een kangoeroe te hebben gevoerd gingen we weer op weg. Voor toekomstige Australiëgangers onder de lezertjes een tip: ga je ooit van Mt Gambier naar Adelaide, neem dan gewoon de Princes Highway, want de route via Beachport en Robe is geen bal aan! Tjongejonge, wat een saaie weg. Nou zijn we natuurlijk hartstikke verwend met al die mooie natuur, het kan niet dat het altijd en overal zo prachtig is.
In Beachport zijn we even gestopt om de beentjes te strekken. Bij de pier staan genieten van de golven. Die sloegen daar metershoog tegen de kade aan. Leuk om vlak bij te staan en dan proberen te raden welke golf boven ons uit zou spatteren. En dan natuurlijk bijtijds een stapje achteruit doen.
Bakkie koffie gehaald en voor Merel een ijsje en dat tijdens haar spelen in een speeltuintje opgedronken. En toen weer onderweg.
In Robe uiteindelijk gestopt. Daar staan we nu op een Big4 camping. Waarom hier? Omdat ze hier én een springkussen én een overdekt, verwarmd zwembad hebben! Joepie, zwemmen! Daar hadden we wel zin in. Zodra we gesetteld waren in de badpakken gehesen en heerlijk een uur gezwommen. We hadden het zwembad voor ons alleen, dus dat was super-de-luxe en erg gezellig.
Aansluitend de caravan gewassen. Dat kwam zo: ik zag aan de achterkant van de camper een brede kras. Kon me niet herinneren dat we ergens tegenaan gereden waren. Even langs gevoeld of het diepe krassen waren. Dat bleek niet zo, maar er kwam wel een boel vuil vanaf. Even met een vingertje met wat spuug staan vegen en wat bleek, de hele kras werd onzichtbaar! Hee, zou dat ook werken aan de zijkant waar we langs dat paaltje geschraapt zijn? Schuursponsje en een emmer water gepakt en me even flink uitgesloofd. En ja hoor, weer helemaal gaaf en wit. De krassen zitten er nog wel een beetje, maar ze blijken dus lang zo ernstig niet als we dachten. Door het vuil leken ze enorm. Maar het is bijna niet te zien. Pak van m’n hart wel dat die schade dus reuze meevalt. Voelde me er best rot van. En nu blijkt het alleen de deur en het lijstje om een ander deurtje te zijn dat beschadigd is. Pfew.
Zag er wel een beetje stom uit, zo’n witte rand aan de onderkant van de camper. Merel had wel zin om te helpen dus die heeft met een doekje al het vuil waar ze bij kon weggewassen. Het ding is weer als nieuw.
Ander dingetje wat wel erg balen is, is dat de koelkast ermee uitgescheden is. Gisterenavond nog een bevroren kipfiletje uit het vriesvakje gehaald, vanmorgen vonden we een plakkerig drabje onderin de groentenladen. Dat waren de waterijsjes. Het lampje brandt wel, maar koelen, ho maar. Van alles geprobeerd, maar we krijgen ‘m niet meer aan de praat. Hmm, nog 3 volle dagen te gaan. Moet lukken. En anders kijken of we onze zooi ’s nachts in de camping-koelkast of -vriezer kunnen leggen.
Lekker rustig dagje dus vandaag. Ochtendje gereden, middagje gerommeld. Merel is weer helemaal gelukkig, want een zwembad! Het leven is goed.
En morgen moederdag. Oh, ik ben zo benieuwd wat dat kadootje van Merel nou is. Ze heeft het zelf gemaakt, maar toen ik haar donderdagochtend ziek uit school haalde moest het nog ingepakt worden. Julia was zo lief om het ’s middags na school even langs te brengen (nogmaals dank, Julia!) en nu ligt het al 2 weken naar me te knipogen elke keer als ik het kastje open doe waar het inligt.
En er schijnt nog een kadootje te zijn. Spannend, spannend!
Morgen vertel ik wat het nou was.
Van Port Campbel naar Nelson
Met geen plannen behalve richting Mt Gambier rijden gingen we vanmorgen op weg. Het was woest weer. Vannacht heeft het geregend en geonweerd en het woei (voor de kinderen onder ons: waaide) heel hard. Toen we vanmorgen vertrokken was het gelukkig droog, maar de wind was nog niet gaan liggen. Vlak na vertrek kwamen we nog een paar prachtige look out points tegen die we niet konden weerstaan. Tjonge, wat is de kust hier mooi. Tegen bijna stormkracht in worstelend hebben we een paar prachtige plaatjes geschoten.
Een eindje verder, in Warrnambool, kwamen we langs een Ford-dealer en daar zijn we even gestopt. Gisteren namelijk, vlak bij Otway Tree Top Walk, hebben we getankt bij een of ander gribustentje en vanaf dat moment brandde er een lampje op het dashboard dat niet hoort te branden. Zelf oplossen lukte niet en aangezien ons mobiele huuske een Ford is, leek het ons een goed plan even bij hen te vragen of zij er even naar wilden kijken. Dat wilden zij wel. Er bleek water in de diesel te zitten. En niet zo weinig ook. Dus dat heeft het Ford-manneke er even uit laten lopen en toen konden we weer op weg. Ahum, 5 meter om precies te zijn, want toen sloeg de motor af en wilde hij niet meer starten. Gelukkig stonden we nog op de parkeerplaats van de Ford dealer ….
Lucht in de leidingen, geen probleem, zo opgelost. Maar het was wel even schrikken.
Gauw weer op weg. En de rekening? 'No Worries.' Oftewel, laat maar zitten, het was maar 5 minuten werk.
Goed, wij weer op weg. Met als specifiek doel iets te doen te zoeken wat met name voor Merel leuk zou zijn. Want die zit elke dag zo geduldig in haar up achterin filmpjes te kijken en boekjes te lezen zonder dat er een klacht of mopper over haar lippen komt. Zelfs niet als we haar meeslepen naar allerlei dingen die wij super vinden en zij maar zozo. Hoog tijd dus om weer eens iets te doen wat zij echt leuk vindt.
Aangekomen in Portland dachten we het gevonden te hebben: een indoor playground. Uit de omschrijving stelden wij ons een soort Bal-lorig voor. Nou, in de verste verte niet. Het was gewoon een speeltuintoestel, maar dan binnen. Wat een teleurstelling.
Wat dan te doen? Op de kaart in het prachtige kaartenboek dat wij van onze buurtjes Loek en Sonja mochten lenen (waar we zo blij mee zijn, want het is een geweldig kaartenboek), stond bij het plaatsje Portland “seal tour” geschreven. Dat leek ons wel wat.
Uit de brochures en reclametoestanden begrepen we dat het ging om een boottochtje met een soort rubberboot om een landpunt heen en daar zou dan een seal colony huizen. Zeehonden kijken dus.
Op naar die landpunt dus. De aanlegsteiger van de bootjes was 600 meter lopen berg af, maar na de training van de afgelopen dagen moest dat geen probleem zijn. En inderdaad, een kwartiertje later waren we ter plekke. Heel jammer alleen dat er niemand was. De tent was dicht. Nog even geprobeerd of we dan over het rotsenstrand verder konden lopen, maar dat was echt niet te doen. Wel spannend overigens.
Nou ja, dan maar weer terug. Berg op. Hmm, daar deden we ieieieiets langer over. Maar het zonnetje scheen, we hadden reuze lol en voor we het wisten stonden we weer bij de auto. Geen zeehonden gezien, maar wel even heerlijk uitgewaaid. Door naar een camping.
Onderweg nog wat emoes in het wild gezien, maar daar reden we steeds zo snel langs dat we er al ver voorbij waren voor we het fototoestel tevoorschijn hadden gehaald. Sterker nog, voor we de tegenwoordigheid van geest hadden überhaupt aan de camera te denken. Dus geen foto’s.
De camping voor vannacht vonden we uiteindelijk in Nelson. Een camping midden in een natuurgebied met als extra feature: veel wilde dieren die over de camping stappen. Nou, dat was geen woord teveel gezegd, want we stonden nog niet op ons plekje, of we kwamen al een kangoeroe tegen. En die mochten we nog voeren ook! Maar wel alleen groenten en fruit. En nou wil het toeval dat we morgen de grens met South Australia over gaan en je absoluut geen groenten en fruit mee mag nemen (vanwege besmettingsgevaar van het een of ander of vanwege fruitvliegjes, daar wil ik afwezen), dus hadden we plenty te voeren. Wij zijn er achter gekomen dat kangoeroes dol zijn op banaan, appel, wortel en ijsbergsla. Er was één kangoeroe zelfs zo dapper dat ie bij Merel uit de hand at. Zo gaaf.
Wat extra bijzonder was, was dat die kangoeroe er telkens bijna vandoor ging als Theo of ik dichterbij kwam. Ook als wij lekkers in ons hand hadden. Hij wilde alleen van Merel aanpakken. Merel, the kangaroo whisperer!
Vanavond ook nog even in het donker over de camping gewandeld en toen nog 2 kangoeroetjes gevoerd. Verderop zat nog een diertje dat erg leek op een kleine kangoeroe, maar dat zal wel een possum zijn geweest.
(even off topic: wij menen ons te herinneren dat die dieren opossum heten. Maar hier stond op een poster “possum”. Nicoline, jij weet dit vast: wat is nou de juiste benaming? Of is allebei goed?).
Morgen richting Mt. Gambier, dat is vlakbij. En daarna zien we wel. Richting Adelaide, maar waar we morgen op een camping zullen staan …. Dat zien we morgen dan wel weer.
Great Ocean Road (dag 2)
Vandaag stond in het teken van het natuurschoon.
Het begon al goed: we vertrokken lekker vroeg van Bimbi Park. Tot nooit weer ziens, raar park.
Op naar Otway Tree Top Walk. Dat moest vlak bij zijn. Dat was ook zo, 40 km maar, maar over kronkelige weggetjes, dus een uurtje over gedaan. We stonden erg in dubio of we alleen de wandeling tussen de boomtoppen zouden doen of ook de route dat je een paar keer abseilt. Dat laatste toch maar niet gedaan. Het was erg duur en Theo zag het ook niet helemaal zitten om te doen. Dus alleen de wandeling gedaan. Dat was ook heel gaaf.
Je begint met een wandeling door een tropisch regenwoud naar het gebeuren toe. Wij hebben onderweg de Dinosaurus afslag genomen. Kom je langs allemaal beelden van dino’s. Lollig wel.
Na een lekker wandeltje downhill kwamen we bij het begin van de Tree Top Walk. Daarbij loop je via ijzeren loopbruggen op zo’n 45 meter (hoogte van het oude CBS gebouw in Voorburg) boven de grond. Tussen de boomtoppen, zeggen ze, en dat klopte deels, want een groot gedeelte van de bomen was nog hoger!
Halverwege de wandeling was ook nog een uitkijktoren waar we uiteraard in geklommen zijn (we moeten ze wel hebben, die arme kuitjes van ons). En ook daar staken nog bomen bovenuit. Ongelooflijk, wat een hoogte. Heel mooi en indrukwekkend.
Aan het einde nog even de helling weer opgeklommen, een lift met een golfkarretje afgeslagen (die rijdt daar voor de ouden van dagen en mensen slecht ter been en wij weigeren ons nu al onder één van die categorieën te scharen. Hijg, puf, kreun.)
Een eindje verder met de camper kwamen we bij de Twelve Apostels. Een verzameling rotsen in zee, die in tegenstelling tot het gesteente er omheen om de één of andere wonderlijke reden niet door de zee weggesleten zijn. Vroeger heetten ze The Piglets (de biggetjes) en zo rond 1950 of daaromtrent hebben ze ze hernoemd om meer bezoekers te trekken. Overigens zijn het er helemaal geen 12, het zijn er zelfs nooit 12 geweest ook. Het waren er 10, maar nog niet eens zo heel lang geleden is er 1 ingestort. De brokstukken zijn nog zichtbaar. Dus het zijn er slechts 9 stukken rots die bij de kust in zee staan. Bijna net zo hoog als de kust zelf, die daar ongeveer 100 meter hoog is.
Om deze bijzondere rotsen te bekijken kan je langs de kust lopen, op sommige plaatsen kan je misschien ook wel naar beneden, naar het strand, maar er was nog een manier: vanuit de lucht. Met een helikopter. En dat hebben wij gedaan. Het duurde niet lang, minuut of 10, maar het was een belevenis om niet gauw te vergeten. Zeker voor Merel en Theo, want die zaten voor het eerst van hun leven in een helikopter. We hadden een helikopter voor onszelf (plus de piloot natuurlijk) en we hebben ervoor gekozen de vlucht op te laten nemen. We hebben er dus ook een filmpje van, gemaakt met de vier camera’s aan boord van de helikopter. Gaaf hoor, kunnen we het nog eens zien allemaal. Merel zat op de beste plek: voorin naast de piloot. Kon ze het goed zien allemaal, want die had alleen maar glas tussen haar en de buitenwereld.
Eenmaal weer aan de grond besloten we ook nog even naar een plek te gaan aan dezelfde kust waar je tot op het strand kan komen. De huppeldepup gorge. Even onze inmiddels weer tot rust gekomen kuitjes wakker geschud door met een trap 100 meter af te dalen.
Die gorge is een versmalling waar de zee met grote kracht doorheen komt. Wat een natuurgeweld, dat is helemaal mijn ding. Het water klapte met enorme dreunen tegen de rotswand. Prachtig.
Toen we daar genoeg van hadden zijn we nog een klein stukje verder gereden tot Port Campbell en daar de camping op gereden. Lekker vroeg, uurtje of half 3. Zodat ik nog even een wasje kon draaien en we lekker rustig aan konden doen. We zijn nog even naar het strand verderop gelopen, en jawel, ook daar een trapje genomen. Dit keer om de prachtige woeste zee beter te kunnen zien.
Geen idee wat we morgen gaan doen. Vanaf nu hebben we geen vastomlijnde plannen of doelen meer, behalve dat we de 16e de caravan om gaan ruilen voor een auto en dan 3 nachten in een hotel in Adelaide verblijven. We hebben hier op de camping free wifi, dus ik denk dat we zo even wat gaan surfen om onze opties in kaart te brengen.
Voor ons dus net zo’n raadsel wat er verder nog komt als voor jullie meelezers J
Great Ocean Road (dag 1)
Vanmorgen werden we wakker en de zon scheen! Strakblauwe hemel erbij, het was mooi weer! Joepie! Eerst de noodzakelijk boodschappen gedaan en toen, In T-shirt en met de raampjes open, op weg gegaan, de Great Ocean Road op. Wat een mooi uitzicht. Aan de ene kant de oceaan, aan de andere kant bergen. Het deed mij erg denken aan de weg tussen Split en Pula (voormalig Joegoslavië), maar dan zonder autowrakken op de rotsen bij het water.
Erg hard konden we niet rijden, want de Great Ocean Road is erg bochtig. Maar dat gaf niet, want we hoefden niet zo ver.
Halverwege, in Lorne, zijn we even van de weg afgegaan om een kijkje te nemen bij de Erskine Falls, één van de hoogste watervallen in het Otway natuurparkgebeuren. Het was nog een hele klim. Op de terugweg! Want heen ging nog wel, 200 meter naar beneden. Maar ja, we wilden toch ook wel graag verder rijden, dus moesten we ook weer 200 meter omhoog. Merel rende als een hinde de trappen weer op “Waar blijven jullie nou!?!”, Theo en ik sjokten in gestaag tempo en uiteindelijk flink hijgend dezelfde weg naar boven. Ach, we troosten ons maar met de gedachte dat er hele volksstammen zijn die niet eens naar beneden gaan. Maar we zijn natuurlijk gewoon al hartstikke oud (hè, Merel? Wij houden ook van jou).
Ook nog even bij Teddy’s look out gestopt. Dat zou het beste, mooiste, geweldigste look out point langs de Great Ocean Road moeten zijn. Wij zijn niet overtuigd.
Om 3 uur waren we dan op de camping waar we zo naar uitgekeken hadden: Bimbi Park.
Wat een tegenvaller was dat, zeg. Tjongejonge, echt helemaal niets aan. Ja, in het hoogseizoen misschien, als je met je hele scoutinggroep of een schoolkamp hier zit. Maar zo met z’n drietjes? Heel jammer.
Geen paardrijden, want het seizoen is voorbij. Geen internet. Douchen tegen betaling. Niks te doen verder en een hele wilde, beetje enge campinghond die meteen al Merel ondersteboven is gerend.
De campingmevrouw was ook geen reclame voor de zaak. Ze kwam in eerste instantie niet eens haar huis uit. Moesten we via een mobilofoon/intercom praten. “Zet je camper maar ergens neer, betaal je later vandaag of morgen”. Dat was het, zoek het verder maar uit.
Nou ja, één troost: er staan hier paarden die zich laten aaien en daar hebben we de camper strak naast geparkeerd. Kunnen we daar leuk naar kijken.
En het stikt hier van de koala’s! Ook op de camping. Merel en ik hebben nog geprobeerd om erbij in de boom te klimmen, maar dat is niet helemaal gelukt. Tjonge, wat zitten die beesten hoog. Leuk hoor, dat ze zo dichtbij zitten. Nu alleen nog een levende wombat in het wild zien en ons geluk is compleet.
’s Middags wilden we nog even naar de vuurtoren op Cape Otway. Volgens de boekjes de belangrijkste vuurtoren van Australië. Eerst een onwijs eind rijden en toen bleek dat we om daar heen te mogen lopen nog moesten betalen ook. Terwijl het ondertussen ook nog was gaan regenen. Dat hebben we maar niet gedaan. Vanavond ging het nog harder regenen en nog onweren ook! Arme koalaatjes. Arme paarden.
Morgen gaan we naar de Tree Top Walk en zoeken we daarna lekker een andere camping op.
Goudmijn in Sovereign Hill
Gisteravond laat naar bed, want lekker liggen lezen, Merel en ik. We waren vandaag dan ook wat later wakker. Rustig aan gedaan, want onze volgende bestemming was slechts 5 km rijden van de camping. Terwijl Merel en Theo nog een rondje bladerminigolf gingen spelen heb ik nog even wat gerommeld op internet en na een heerlijk ontbijtje van toast met jam en een emmer koffie zijn we om 10 uur vertrokken. Eerst de verkeerde kant op gereden ….. zodat we toch nog een half uur gedaan hebben over die 5 km. Hahaha.
Vandaag gingen we naar Sovereign Hill. Een plaatsje gebouwd rond een goudmijn. De goudmijn is in 1851 (meen ik mij te herinneren) geëxploiteerd. Rond de mijn is een heel dorpje in de stijl van die tijd gebouwd. Heel mooi gedaan en alle winkeltjes waren ook daadwerkelijk in gebruik. En waren ingericht zoals toen met spullen van toen. De mensen in de winkels en op straat liepen ook in kleding uit die tijd. Hartstikke leuk. Je kon ook oude ambachten bedreven zien worden. Zo hebben we een hoefsmid in actie gezien, maar ook een paar “redcoats” (soldaten) die ook nog eens met veel lawaai hun musketten afvuurden en tot Theo’s vreugde was er ook een grote stoominstallatie. Met enorme ovens waar bijna hele bomen in gingen. Uiteraard zijn we ook met een rondleiding door de oude goudmijn meegegaan. Met een treintje zoals waar we bij de Scenic World in de buurt van Sydney in hadden gezeten gingen we de mijn in. Toen een stukje gelopen, een boel uitleg gekregen, een demonstratie van een pneumatische boor gehoord (auauau, wat een herrie was dat!) en toen met een ander geinig treintje de mijn weer uit.
Merel vond het een saaie boel, op de treintjes na. Maar Theo en ik waren wel onder de indruk. Wist je bijvoorbeeld dat je vanaf 12 jaar in de mijn mocht werken? Dagen maakte van 12 uur en dat je als volwassen vent een salaris verdiende dat gelijk staat aan AUD 100.000,00 nu? Daar stond wel tegenover dat je niet erg oud werd. Als je de 40 jaar haalde had je “mazzel”. Gemiddeld stierf er een man per week. De werkomstandigheden waren dan ook niet daverend. Er was natuurlijk heel veel stof, dus veel mannen stierven aan stoflongen. Daarnaast had je het lawaai van het hakken. Met de hand al niet prettig, maar later met die pneumatische boor helemaal verschrikkelijk. En er was natuurlijk altijd het gevaar bedolven te worden onder rotsen. Die werden met kruit en later met dynamiet opgeblazen en dan moest je met je slechte gehoor (door die pneumatische hamers half doof geworden) door alle pestherrie (van die pneumatische hamers) heen natuurlijk wel de signalen horen dat je moest maken dat je wegkwam.
Overigens zagen we in een ander gedeelte van de mijn nog een ingenieus waarschuwingssysteem: palen. Als je er langs loopt denk je: “Stutten”. Maar dat zijn het niet. Slaat ook helemaal nergens op, een enorme berg denken te kunnen stutten met een paar lullige paaltjes. Telling Tommies heten ze, die palen. Als ze begonnen te kraken of splinteren of scheuren betekende dat de rotsen erboven begonnen te bewegen. Wegwezen dan, zo snel je kon. Geinig, weer wat geleerd.
Boven de grond konden we in een klein beekje zelf op zoek naar goud. Regel in het dorp was “Finders, keepers”, dus dat wilde Merel wel proberen. Met schep, kom en zeef ging ze aan de slag. Een boel werk, beetje zwaar ook wel, maar wel heel spannend.
Maar het spannendste gebeurde aan het einde van ons bezoek.
Door het stadje reed ook een postkoets. Daar zijn we niet in geweest, maar we hebben wel veel paarden gezien. Op een gegeven moment waren we Merel kwijt en hoorden we een heleboel lawaai en geschreeuw uit Mainstreet komen. Bleek dat een blond meiske een paard had gejat en daarop als een dolle door de stad had gereden, het leven van diverse wandelaars in gevaar brengend. Nou doen ze hier niet moeilijk want binnen een minuut of 10 werden er posters opgehangen waarop het allemaal stond te lezen. Wanted: Merel Grivel!!!
Zodra we haar weer gevonden hadden, hebben we haar allebei onder een oksel gegrepen en zijn snel het dorp uitgerend. Hup, de caravan in en wegwezen!
Wat? Geloof je me niet? Nou, het is echt waar hoor. En dat kunnen we bewijzen ook, want we hebben nog gauw één van die posters van een paal gerukt. Merel zal ‘m na de vakantie mee naar school nemen, kan je het zelf zien.
Op naar de volgende stop. We lopen een dagje voor op schema, dus echt heel veel haast hebben we niet. De bedoeling was om vandaag naar Great Otway National Park te gaan. Daar is zoveel leuks te beleven dat we daar 2, misschien wel 3 nachten willen blijven. Maar halverwege er naar toe hadden we echt geen zin meer om de volgende 100 km. ook nog te rijden. Het zonnetje scheen (eindelijk), we wilden naar buiten! Dus gestopt in Torquay, The Surfers Capital of Australia. Vlak bij het strand een camping gevonden (met springkussen, joepie!) en daar staan we nu. Vanavond naar en over het strand gewandeld. De zee was erg rustig en het was aflopend tij, dus geen surfers gespot. Misschien morgen.
Op de terugweg een pizzaatje gehaald. Mjammie. En het was zoveel, dat we morgen weer pizza eten. Vanavond nog even een boekje onder de neus en dan morgen op naar Otway!
Warrook Homestead Farm
Wat een superleuke dag hebben we vandaag gehad! Eerst zijn we rustig opgestaan. Dat ging makkelijk, want we waren de enige op de camping. Lekker ontbeten, wandeltje over het strand gemaakt en om een uurtje of 10 de spullen bij elkaar gepakt en op naar Warrook Homestead Farm.
We hadden verwacht dat het een soort kinderboerderijachtig gebeuren zou zijn en dat we van half 11 tot de rondleiding om 1 uur een beetje over de farm zouden drentelen. Maar nee, dat was absoluut de bedoeling niet. Het is een working farm en daar kan je als toerist niet zomaar rondlopen. Of we de rondleiding misschien meteen al wilden? Nou, dat wilden we wel! Dus zo ging het. Een privé-rondleiding! Super!
Eerst werden we in een soort Jan Plezier naar de kalfjes gebracht. Die wilden graag een flesje leegdrinken. En niet 1, maar wel 3 per persoon. Het merendeel van de kalfjes was Fries stamboekvee. Geinig, sta je aan de andere kant van de wereld naar Friese kalfjes te kijken. Van dit vee hadden ze alleen koeien, geen stieren. De koeien worden bevrucht via K.I. en dan ook nog met “bewerkt” zaad, zodat er met 95% zekerheid alleen koetjes geboren worden. Want stieren, daar heb je bij een melk-ras niets aan. Op mijn vraag wat er gebeurde met de toch geboren stiertjes, of het misschien naar de honden ging, was het antwoord ... uhm .... verrassend. Dat vlees wordt opgekocht door .... McDonalds. Hmmm.
Behalve de Friese koeien hadden ze ook Herefords en Angus. Van die Angus hadden ze ook koeien, voor de fok. De stieren worden op een bepaalde stierenfarm gehouden. Voor het vlees.
Bij dit hele verhaal zijn we wel een beetje in de war geraakt. Want een stier in het NL is een bull in het Engels. Maar een steer in het Engels is een gecastreerde stier, en dat heet bij ons een os. Wat is dan een ox? Nou ja, leuk om later eens uit te zoeken.
Na het kalfjes voeren mochten we een koe melken. Met de hand. Gelukkig hadden ze een oud en zeer vriendelijk beessie staan met grote spenen aan de uier, zodat het makkelijk melken was. Merel mocht eerst en er kwam direct een straal melk uit. Sterker nog, het hield niet meer op! Natuurtalentje. Ze vond het wel heel raar voelen. Beetje ruw en rubberig. Ze had verwacht dat het veel zachter zou zijn.
Na Merel mochten Theo en ik ook even. Inderdaad een wonderlijk gevoel. Maar het ging best. Helaas had Klara net een paar dagen geleden medicijnen gekregen, dus we mochten niet van de rauwe melk proeven. Jammer, want dat is ook een smaakbelevenis op zich.
Nog even het Clydesdale paard gekriebeld en hun pet-bull diep in de ogen gekeken en toen door naar het schapen scheren. Niet één van hun eigen schaapjes, maar iemand z’n knuffelschaap. Een joekel van een beest, bijna 100 kilo. Het scheren was zo gepiept, hoewel het voor de scheerder wel een zware klus was, zo’n zwaar schaap. Op een grote schapenfarm wegen de schaapjes een kilo of 30 en scheren de scheerders rond de 200 schapen per dag.
De scheerder vertelde dat het niet zielig is voor een schaap om met deze kou (hahaha, het is hier gewoon 15 graden, hoor, overdag) zonder wolletje te lopen. Net zo min als dat het zielig is om met 40 graden met wollen jas aan in de wei te staan. Hun warmte krijgen ze van hun vetlaag, niet van dat beetje wol. Dat beetje wol weegt na een maand of 10, 12 overigens zo’n 6 tot 8 kilo.
Toen dat geregeld was mochten we proberen of we een zweep konden laten knallen. Die knal komt doordat het flappertje aan het uiteinde van de zweep de geluidsbarrière doorbreekt. Het lijkt zo eenvoudig, maar dat bleek het absoluut niet te zijn. Maar na een poosje oefenen is het ons allemaal, al dan niet per ongeluk, een paar keer gelukt. Yeah!
Als je iemand met zo’n zweep een klap tegen de billen geeft, kan ie een maand niet meer zitten! Dat hebben we maar niet geprobeerd.
Na het whipcracking hebben we een kleine demonstratie schapendrijven gekregen. De juffrouw die het demonstreerde had 2 honden: een (brown and tan) kelpie en een kortharige Border Collie. Zij gaf de voorkeur aan Collies, omdat die veel beter voor het fijnere werk, meer tot in detail te trainen zijn.
Even voor Meriam en Alette: ik heb gevraagd waarom ze geen Australian Cattledogs gebruiken, maar die hebben niet zo’n beste naam meer hier. Ze zijn te “hard” gefokt. Ze bijten te snel. In de dieren die ze moeten drijven, maar ook in mensen. Het zijn echte werkhonden geworden. Maar dan wel extreme tough cookies. Goed voor het grove werk, zoals het bijeendrijven van enorme kuddes koeien van de far fields terug naar de boerderij, maar niet meer geschikt als huishond of hond op een kleine farm. Dus helaas, geen foto’s van over schapen rennende Abby’s en Ihnu’s.
Maar goed, het drijven dus. Die twee hondjes dreven een vijftal schaapjes van verderop in het weiland naar hun baasje. Zij vertelde, en dat zagen we zelf ook, dat de honden het heerlijk vinden om dat te doen. Het is zelfs zo erg, dat als ze niet werken, ze aan een lijn moeten liggen, omdat ze anders stiekem achter je rug voor de leut gewoon doorgaan.
Superleuk om te zien, hoe die rare schapen zich door twee van de kleine woefjes lieten opjagen. En wat nog leuker was, was dat ze geleerd hadden om de schapen naar de baas te drijven en ze daar vervolgens te houden. Wat die baas ook deed. Dus het baasje liep wat heen en weer en die honden maar rennen. Hahaha, lachen hoor.
Als laatste onderdeel van de tour gingen we naar de kangoeroes. Tamme dan hè. En die mochten we voeren. Gaaf! Eerst waren ze een beetje zenuwachtig, want een van de honden van daarnet was achter z’n baasje aangekomen en rende aan het andere kant van het hek heen en weer. Maar toen die weer terug naar de back of the truck was gestuurd, ontspanden ze en wilden ze wel een hapje. Zo gaaf om zo dicht bij te kunnen komen. En ze lieten zich ook aaien. Er was er een, hahaha, die elke keer als je haar aaide, haar kop achterover deed. Of we even over haar keeltje en kinnetje wilden krabbelen, want daar kon ze zelf niet bij. Geweldig!
Toen we daar uiteindelijk, na een heel lange tijd, genoeg van hadden, was de rondleiding afgelopen. En was het ondertussen een uur of 1. Tijd voor de lunch. Dat hebben we daar maar gedaan.
Tot Merels verbijstering nam ik een kangoeroepasteitje. Die had ik net lekker staan aaien en knuffelen en dan ging ik er nu een opeten! Nou schatje, je hebt helemaal gelijk hoor. En er was ook niet echt bijzonder. Smaakte net als rund. Misschien dat ik onderweg nog ergens een keer een kangoeroe biefstuk ga proberen, maar daar zal ik het dan bij laten, goed?
Omdat de toer zo vroeg begonnen was, waren we ook een stuk vroeger dan verwacht weer onderweg. We zijn dwars door Melbourne gereden (alsof je door Rotterdam reed, dus wij werden niet echt geprikkeld te stoppen) en toen door naar onze volgende stop: Ballarat.
De camping is ook weer een schot in de roos: met eigen midgetgolfbaan. Alle baantjes lagen vol met bladeren. Extra handicap. Wat hebben we gelachen. Overigens hebben ze hier ook een zwembad formaatje Olympisch wedstrijdbad en daarbij een enorme glijbaan, maar helaas, die zijn beide dicht.
Morgen naar Sovereign Hill, een plaatsje rond een oude goudmijn waar je je helemaal in Westerntijd waant.
Richting Melbourne (maar niet helemaal)
Eén van de dingen die we heel graag willen doen is een bezoek brengen aan een farm. Onze zoektocht op internet thuis leverde Warrook Homestead Farm op, vlak bij Melbourne.
Eigenlijk zouden we daar pas overmorgen terechtkomen, maar de weersverwachting was niet daverend en het was eigenlijk best te doen op één dag, dus zijn we vandaag die kant op gereden. Om de farm vandaag nog te bezoeken ging niet meer lukken, maar morgen zijn we de eersten!
Om 1 uur krijgen we een rondleiding, je mag baby-animals voeren, er is een demonstratie schapendrijven met honden. Hartstikke leuk allemaal. We hebben er zin in!
Theo had als overnachtingsplek een camping in de buurt uitgezocht. Toen we op internet wilden opzoeken wat dat voor camping was, bleek het ding geen eigen site te hebben. Hmmm, dat deed al wat wenkbrauwtjes fronsen. Toen we elders in een review lazen dat de camping in de jaren ’50 van de vorige eeuw was geopend en dat het de camping gelukt was de rustieke sfeer van deze tijd te behouden kregen we overal jeuk. Een ouwe achenebbisj zooi dus. Omdat we zo gauw niets anders konden vinden besloten we op de bonnefooi te gaan zoeken. Vlak bij Philips Island en de baai waarin dat ligt (Western Port) zo vlak bij Melbourne, daar moet toch een camping te vinden zijn.
Zo gezegd zo gedaan. Om een uur of half 3 waren we in de buurt van Warrook en gingen we maar eens om ons heen kijken. Prachtige natuur, weilanden vol Angus-stieren (toekomstige Angus-steak, mjammie), diverse paardenstoeterijen en renstallen. Maar campings? Niet ééntje.
Na twee uur zoeken besloten we dan toch maar naar de rustieke jaren '50 camping te gaan. Nou, er was geen woord van overdreven en ons voorgevoel bleek 100% correct: wat een ouwe troep! Hahaha, het is zo’n ouwe meuk dat het bijna grappig is.
Het begon al bij de “receptie”. Weliswaar werden we ontvangen door een redelijk jonge vent, zo gay als wat. En hij zag er niet uit. Ouwe joggingbroek aan, op z’n sokken, erg morsig. In het hok waar hij in zat lag alles, inclusief zijn laptop, op de grond. Ik weet niet wat hij daar allemaal deed, maar ik geloof dat ik het ook niet wil weten.
Gelukkig bleek de prijs ook nog uit de jaren ’50.
Wat wel leuk is aan deze camping is dat we direct aan het strand staan: aan Langlang Beach, klein strandje aan Western Port. Nou ja, het maakt ook allemaal niet zoveel uit. We trekken de gordijntjes dicht, kacheltje aan. We hebben een cd-speler, E-books, spelletjes, we zijn gezellig met z’n drietjes en dan komen we de avond en nacht vast prima door.
Maakt Theo alleen wel net een hele enge opmerking: morgen moeten we hier misschien ook overnachten! Want de verwachting is dat we wel tot een uur of 4 bij Warrook bezig zijn en als we dan nog een camping moeten vinden, dan zijn er niet veel alternatieven, hebben we vanmiddag al gemerkt. Aaargggh!! Waar is de kaart? Er MOET een alternatief zijn! Hahaha. Leuk klusje voor vanavond.
Lakes Entrance: de leukste dag tot nu toe!
Vannacht heerlijk geslapen. Geen seconde koud gehad. Dat malle kleine kacheltje blijkt nog een thermostaatje te hebben ook, dus vannacht braaf nog 2 keer aangesprongen om ons warm te houden. We zijn helemaal gelukkig.
Vanmorgen lekker bijtijds opgestaan en vroeg vertrokken richting Lakes Entrance. Het blijft lollig dat de weg die we volgen, highway 1, een tweebaans weg is. Dwars door de bossen. Theo vond het een beetje op de jungle van Indonesië lijken.
Op sommige plekken waren de stille getuigen van de enorme branden waarover wij op het nieuws hebben gehoord, nog zichtbaar: kilometers en kilometers zwartgeblakerde bomen. Gelukkig op veel plaatsen weer met veel nieuw groen blad, maar hier en daar nog met compleet uitgedroogde blaadjes van het vuur eronder.
Begin van de middag kwamen we in Lakes Entrance aan. De planning was om naar een Big4 camping te gaan (dat is een keten van vrij luxe campings), maar we reden er pardoes voorbij en daar kwamen we voor de deur van een informatiecentrum achter. Daar even naar binnen gewandeld en dat was een heel goede beslissing. Hier verwezen ze ons namelijk naar een geweldige camping. Eén met een enorm springkussen en ook nog eens aan de overkant van de weg van een zwembad. Daar moesten we zijn!
Maar eerst gingen we midgetgolfen. Wat een pret. Theo is onwijs goed in midgetgolf, daar valt niet van te winnen. Sterker nog, hij sloeg maar 4 slagen meer dan het baanrecord. En dat op 18 baantjes. Maar vlak ook Merel niet uit. Die sloeg op een gegeven moment ook zomaar hole in one! Na het midgetgolfen gauw naar de camping, want er moest gesprongen worden. Op het springkussen. Wow, een meter hoog kwam Merel wel. En we staan er met de caravan vlak naast. Dus morgen probeert Merel of ze van het dak van de caravan over het hek op het kussen kan springen. Of toch maar niet ….
Toen we helemaal geïnstalleerd waren zijn we naar het zwembad gegaan. Wat we voor onszelf alleen hadden. Arme badmeester. Die dacht vandaag wat vroeger naar huis te kunnen. Jammer joh. Hihihi.
Lakes Entrance is een dorpje bij de enige ingang van een serie binnenmeertjes. Tussen de binnenmeertjes en de zee ligt een stukje land. Morgenochtend gaan we daar eens een kijkje nemen.
Merel vond dit de leukste dag tot nu toe. Nou, daar sluit ik me volledig bij aan. Wat hebben we een plezier gehad met z’n drietjes!